Eenheidsrijtuigen
Eenheidsrijtuigen
Hechtrijtuigen
Bauart 28-37 rijtuigen
Schürzenrijtuig
Bauart 28-37 rijtuigen
De Bauart '28-'37 rijtuigen zijn onderverdeeld naar type:
De rijtuigen van de Bauarten 1928 t/m 1937 werden gekenmerkt door de inspringende toegangsdeuren die in tegenstelling tot de hechtrijtuigen evenwijdig liepen met de rijtuigwand. De rijtuigen vanaf 1933 waren gelaste constructies, dit resulteerde in een wezenlijke vermindering van het gewicht.
Constructie
De rijtuigen vanaf 1928 t/m 1932 werden geconstrueerd met een onderstel van gewalste profielen. De stalen zijwanden waren met behulp van klinknagels aan de opstaande profielen bevestigd. De daken waren zogenaamde "Tonnen" daken. Begin dertiger jaren zetten zich een trend in naar hogere snelheden. Hierdoor begon met te zoeken naar lichtere materialen en constructies. De resultaten waren nieuwe lastechniek en lichtere constructies. De rijtuigen vanaf 1933 waren de eerste D-treinrijtuigen die een gelaste constructie hadden. Het onderstel bestond uit langs en dwarsdragers in een open bouwwijze die aan elkaar gelast waren. De stalen zijwanden werden aan de opstaande profielen gelast. De D-trein rijtuigen vanaf 1935 waren nog meer afgerond om de stroomlijn te bevorderen. De inspring aan beide zijde van het rijtuig waren afgerond.
Draaistellen
De rijtuigen die vanaf 1928 t/m 1932 werden gebouwd werden nog allemaal uitgerust met draaistellen type "Görlitz II schwer". Zie ook draaistellen van Hechtrijtuigen.
 | | Gorlitz II Schwer draaistel | Intussen waren ook andere rijtuigfabrikanten bezig om draaistellen te ontwikkelen. Deze werden aangeboden aan de DRG voor proefnemingen. Zo kwamen er diverse zware draaistellen voor proefnemingen onder D-treinrijtuigen, vooral Bauart 1926 en 1928 werden voor deze proeven gebruikt. Toch besloot men eind 1928 na alle proefnemingen met de draaistellen verder te gaan met het draaistel "Görlitz II schwer". Maar tijdens de proefnemingen was wel gebleken dat door de verandering van de ophanging van de veren en het gebruiken van andere soorten veren de loop van het draaistel en daarmee ook de loop van het rijtuig rustiger werd. Dus kregen alle rijtuigen vanaf 1928 deze "Görlitz II schwer" draaistellen met de wijzigingen.
 | | Gorlitz III Schwer draaistel | Maar ondanks deze wijzigingen hadden reizigers toch nog klachten over de soms onrustige loop van de treinen. Er werd een commissie gevormd die moest uitzoeken hoe deze onrustige loop kon worden opgelost. De asophanging werd gewijzigd net zoals het aantal veerbladen. Met nog een reeks verfijning resulteerden dit in het draaistel "Görlitz III schwer". Maar ook dit draaistel voldeed nog niet helemaal, uiteindelijk werd de asstand verkleind en werd er gebruik gemaakt van lichtere draaistelramen zodat dit draaistel "Görlitz III leicht" werd. Dit draaistel werd uiteindelijk gebruikt voor de D-trein rijtuigen vanaf 1933 t/m 1937.
In 1930 begon Wumag proeven met draaistellen die gelast waren. De draaistellen werden onder een AB4ü-28 gemonteerd en bij proefritten werden snelheden van 150 km/u behaald. Vanaf 1933 werden sommige rijtuigen voorzien van gelaste rijtuigen en vanaf 1936 werden alle rijtuigen voorzien van gelaste Görlitzer draaistellen.
Remmen en koppelingen
De rijtuigen waren voorzien van schroefkoppelingen. De rijtuigen gebouwd tussen 1928 en 1932 waren voorzien van zelfwerkende éénkamer luchtdrukremmen met zelfremming, gedeeltelijke automatische vacuümsnelremmen en niet zelfremmende luchtdrukremmen. De rijtuigen vanaf 1933 kregen een extra handrem die op één draaistel werkte. De rijtuigen vanaf 1935 kregen een snelremming op de luchtdrukremmen. En de rijtuigen vanaf 1936 kregen een handrem die bedienbaar was vanuit één van de instapruimtes.
Interieur
De interieurs waren ongeveer hetzelfde als bij de Hechtrijtuigen. De derde klas kreeg in de rijtuigen Bauart 1931 een wijziging zodat de totaal indruk van de interieurs vriendelijker werd. De coupéwanden werden bekleed met eikenhout en werden gelakt zodat het verschil met de andere klassen verminderd werd. In de rijtuigen vanaf 1933 waren alle coupés in alle rijtuigklassen uitgevoerd met een schuifdeur tussen gang en coupé en pendeldeuren tussen instapruimtes en zijgangen.
De rijtuigen vanaf 1928 t/m 1932 werden verwarmd door middel van hetelucht. In de rijtuigen vanaf 1936 was de temperatuur per coupé apart te regelen door middel van een draaiknop in elke coupé. De toiletten waren voorzien van stromend water en een wasgelegenheid, de rijtuigen vanaf 1933 hadden de reservoirs voor het water in de daken. De rijtuigen waren voorzien van gloeilampen voor de verlichting, de energie hiervoor werd opgewekt via een door een riem aangedreven generator op één draaistel per rijtuig. Zie ook de interieurs van de Hechtrijtuigen.
Exterieur
De rijtuigen waren allemaal voorzien van luchtverversers type "Wendler". Alle rijtuigen Bauart 1928 t/m 1937 kregen rijtuigenovergangen met harmonicaovergangen die tegen weersinvloeden bestand waren.
Kleurstelling
De kleurstelling voor deze rijtuig series zijn ongewijzigd gebleven in vergelijking met de Hechtrijtuigen. Zie kleuren Hechtrijtuigen.
|