dbtrains.com | de website | contact | zoeken | faq | sitemap | nieuwsbrief
 
 

BR 01.10


Wanneer in 1949 de Deutsche Bundesbahn (DB) wordt opgericht worden 54 locomotieven van de serie BR 01.10 in de bestanden opgenomen, omdat men snel sneltreinlocomotieven nodig heeft. Alleen de 01 1067 werd direct wegens omvangrijke schade buiten dienst gesteld. De DB verwijderde de stroomlijnbekleding direct toen de locomotieven in 1949 in haar bestanden werden ingevoerd. De stroomlijnbekleding bood nauwelijks nog voordelen, het drijfwerk was slecht toegankelijk voor het onderhoudspersoneel wat weer leidde tot veel tijdsverlies bij het dagelijks onderhoud. Bovendien zorgde de stroomlijnbekleding voor veel extra gewicht en was het aantal trajecten waar met het oog op een langere remweg, blokbeveiliging en sporenligging met meer dan 130 km/u kon worden gereden zeer beperkt.

De BR 01 1088 zonder stroomlijn bekleding in het Bw Hagen-Eckesey
De BR 01 1088 zonder stroomlijn bekleding in het Bw Hagen-Eckesey
De locomotieven werden dus verbouwd en de stroomlijnbekleding werd verwijderd, de locs kregen ketelomlopen en "witte" windleibladen. In deze toestand onderscheidde de locomotieven zich nog nauwelijks van andere stoomlocomotieven, alleen nog door de onder de rookkamerdeur geplaatste voorverwarmer konden de locs worden onderscheiden van hun soortgenoten.

De locomotieven werden tot begin van de jaren vijftig onderhouden in de Bw’s Bebra, Hagen-Eckesey, Kassel en Paderborn. In Paderborn werd het bestand BR 01.10 locomotieven in april 1952 geruild tegen BR 03.10 locomotieven uit Offenburg.

De in Baden gestationeerden BR 01.10 locomotieven reden samen met de BR 01 locomotieven in de treinomlopen van F en D treinen langs de rijn op de verbinding Basel Badischer Bf-Hannover-Würzburg.

Wegens de hoge belasting van de ketels, die minder verouderings bestendig waren, kregen de ketels snel last van vermoeidheids verschijnselen. Het gebruikte staal St 47K wat gebruik was voor de ketels leidde tot haarscheuren nabij de vuurkist, veroorzaakt door grote thermische belasting. In november 1953 werd de eerste 01.10 locomotieven, de 01 1052 voorzien van een nieuwe ketel, de laatste kreeg in oktober 1956 een nieuwe ketel, dit was de 01 1082. De nieuwe ketels, gebouwd door Henschel, konden veel meer belast worden dan de oude ketels. Een rariteit was locomotief 01 1095, deze had in 1953 een nieuw ketel gekregen, maar deze ketel werd in maart 1962 door het AW Braunschweig door een verbrandingskamer ketel vervangen.

Locomotief 01 1100 viel midden 1956 de eer om als eerste sneltreinlocomotief met een oliestookinrichting uitgerust te worden. Na een uitgebreid proefprogramma werden 33 locomotieven in 1957/58 voorzien van een olietender en omgebouwd op de oliestook. Samen met de BR 10 zijn de oliegestookten locomotieven de krachtigste stoomlocomotieven van de DB. Deze oliegestookten locomotieven waren hoofdzakkelijk gestationeerd in de Bw’s Kassel en Osnabrück. In 1968 verhuisden de locomotieven uit Osnabrück naar Hamburg, vanwaar tot 1972 vooral de diensten naar Westerland werden gereden.

Omdat de locomotieven nog relatief jong waren en aan het begin van de oorlog werden geleverd was de bloeitijd van deze locomotieven pas bij de DB in tijdperk III, terwijl het oorspronkelijk DRG locomotieven waren.

Drijfwerk: 2'C1'h3
Indienststelling: 1939
Diameter drijfwielen: 200 cm
Diameter loopwielen (voor/achter): 100 cm/125 cm
Lengte over de buffers
(met tender 2'3 T38 St):
24,13 m
Maximumsnelheid: 140 km/h
Vermogen: 2400 pk/hp
Keteldruk: 16 bar
Gewicht: 114,3 t